Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

KARTUIZER


DE KARTUIZERS
 
 

 De stichter H Bruno  

 

 

 

De kaart komt uit het stadsplan van marcus Gerards : aan de oostzijde paalde de kartuis aan het buitengoed van de Brugse humanist Marcus Laureins.

 

De naam Kartuizersstraat is nog maar in voege getreden in 1973. Voorheen was het de Guido Gezellestraat. Ingevolge de fusie van gemeenten in 1971 kwamen vele straatnamen meermaals voor op hetzelfde grondgebied, hetgeen voor administratieve verwarring kon zorgen.Een commissie werd aangesteld en de gemeenteraad keurde op 15/12/1972 de nieuwe straatnamen goed.Het werd dus de Kartuizersstraat.
 
Wie waren nu die Kartuizers naar wie onze straat werd genoemd ?
 
De naam “Kartuizer” is waarschijnlijk niet zo  bekend maar de Franstalige versie, les Chartreux, zal des te bekender in de oren klinken.
 
Zeker ook de likeur “chartreuse” (groen of geel) d.i. een likeur op basis van kruiden, nu noch steeds geproduceerd in la Grande Chartreuse, het moederhuis van het Kartuizerorde in de omgeving van Grenoble (Frankrijk).
 
In Brugge kennen we ook de Chartreuseweg (aan het Novotel)
 
Het oorspronkelijke Kartuizersklooster in SINT KRUIS stond aan het Genadedal.
 
Het werd in 1578 gesloopt om de naderende Geuzen geen versterkingen aan de rand van deze stad te gunnen.
 
Het nieuwe Kartuizersklooster werd opgericht op het einde van de Langestraat nadat Albrecht en Isabella gronden en toebehoren aan de Kartuizers schonken in 1609.
 
Het nieuwe Kartuizersklooster raakte al klaar in 1653, maar de Heilige Brunokerk (gewijd aan de stichter) pas in 1774-76, een paar jaar slechts voor de Kartuizersorde werd opgeheven door Jozef II in 1783.
 
Militairen namen de gebouwen, inclusief de kerk, in gebruik voor graanopslag, een militair hospitaal en een school voor kinderen van militairen.
 
Vanaf 1835 werd één en ander verbouwd, bij de installatie van de cavaleriekazerne
 
Enkel de kerk bleef tot op de dag van vandaag bestaan en wordt als assisenzaal gebruikt in de huidige gerechtsgebouwen.
 
 
 
 
Ontstaan
 
De kartuizersorde zelf werd in 1084 door de H. Bruno in Frankrijk gesticht.
Hij vestigde zich met zijn volgelingen op een verlaten plek in de Franse Alpen nabij Grenoble. Daar leefde hij en zijn volgelingen als kluizenaars en hielden ze zich bezig met gebed en studie.

De contemplatieve monnikenorde (= gewijd aan de beschouwing der bovennatuurlijke waarheden en aan het gebed, in tegenstelling bijvoorbeeld tot orden die zich ontfermen over zieken, armen en dergelijke) breidde zich weldra uit in heel Europa, tot meer dan tweehonderd vijftig kloosters. Het moederhuis in de Alpen groeide uit tot "La Grande Chartreuse". Zo kregen de monniken de naam "Chartreux", of in het Nederlands "Kartuizers" (afgeleid van het Latijnse "Carthusia").
 
De eerste bloeiperiode van de kartuizersorde in de 12de en 13de eeuw, bleef vrijwel tot Frankrijk beperkt. In de volgende twee eeuwen breidde de orde zich evenwel over gans Europa uit en bereikte het toppunt van haar ontwikkeling. In België had de eerste stichting plaats te Herne in 1314. De stichting in Sint-Martens-Lierde gebeurde in 1329.   
Regel
 
De kartuizers zijn een contemplatieve orde. Dit betekent dat ze zich onthouden van elke vorm van actief apostolaat, prediking of enig ander priesterlijk werk buiten het klooster, en zich uitsluitend toeleggen op een beschouwend leven, gericht op God.
 
De orderegel schrijft voor: "De kartuizer moet zich in de eerste plaats toeleggen op het beoefenen van een verborgen, eenzaam en verstorven leven, gans aan God gewijd. Maar hij zal tevens de vlam voeden van de brandende liefde die hem aanspoort tot het bevorderen van het heil van zijn medemensen".

Uniek hierbij is de manier waarop de kartuizers die eenzaamheid beleven. Ze leven namelijk in gemeenschap als kluizenaar.
 
Levenswijze
 
Wie er aan denkt om kartuizer te worden moet, naast andere kwaliteiten, ook nog over een groot psychisch evenwicht en een sterk uithoudingsvermogen beschikken. Het opteren voor de absolute stilte en de eenzaamheid vergt ongetwijfeld een stevige roeping en een persoonlijk aangesproken zijn door de liefde van de onzichtbare God. De uitwendige eenzaamheid is immers het middel bij uitstek om de innerlijke rust en sereniteit te vinden en te bewaren. Daarom wordt het hen opgelegd nooit uit hun cel te komen zonder reden. Ook mogen ze nooit spreken tenzij tijdens de wekelijkse wandeling of met de prior. Om diezelfde reden mogen de novicen in hun eerste jaar niemand zien, zelfs hun familie niet.
Godsdienstige oefeningen, handenarbeid en intellectueel werk zijn de 3 grote bezigheden.
 
 
 
De bewoners
 
Meestal bleef het aantal bewoners beperkt tot een vijftiental monniken. Om de goede gang van zaken in het klooster te waarborgen, kregen enkele monniken specifieke taken. Aan het hoofd van de kartuize (chartreuse) stond de prior. Hij was verantwoordelijk voor de totaliteit en werd telkens voor de duur van één jaar aangesteld vanuit de Grande Chartreuse.

Naast de eigenlijke monniken waren er van meetaf aan ook andere bewoners in de kartuize. Deze volgden een zachtere levenswijze: minder eenzaamheid, gemeenschappelijk werken (weliswaar in stilte) en zonder eigen kluis. Meestal vormden ze de verbinding tussen de monniken en de buitenwereld.
 
Opheffing 

Tijdens de Verlichting en met de Franse revolutie werden heel wat kloosters afgeschaft. Deze in België werden in 1783 met één pennentrek van Jozef II gesupprimeerd. De orde kon overleven, maar in België zijn er geen kartuizers meer.

De architectuur van een kartuis

Meestal zijn kartuizerkloosters vrij groot en volgens een identiek grondplan opgetrokken. De eerste conventen waren bestemd voor twaalf monniken en tien à vijftien broeders, maar stilaan slonk het aantal broeders, terwijl het aantal monniken toenam, zodat we kloosters kregen die vierentwintig monniken konden herbergen. Kartuizerkloosters liggen ver van de bewoonde wereld en zijn vaak omgeven door bosrijke gebieden om de afzondering nog beter te waarborgen. Op bepaalde tijdstippen hebben echter stadskartuizen bestaan, wat ernstige problemen in verband met de eenzaamheid veroorzaakte. Een grote ingangspoort met aan weerszijde respectievelijk het gastenkwartier en de buitenkapel leidt over het voorplein naar het kleine pand of het kleine claustrum. Daaromheen liggen de kerk, de refter, de kapittelzaal, de cel van de prior en de bibliotheek. Een trap leidt naar het broederkwartier, waar ook de cel van de procurator is. Daarachter ligt dan het grote pand of grote claustrum met de cellen van de andere monniken. Rechts of links, naargelang van de bouwmogelijkheden, bevinden zich de ateliers der broeders, waaronder de wasplaats, de smidse, de bakkerij en vroeger ook de brouwerij. De kluis, het eigenlijke centrum van het kartuizerleven en het meest typische van een kartuis, is een huisje waarbinnen het grootste gedeelte van het leven van de monnik zich afspeelt. Beneden zijn er twee werkplaatsen en een tuin; boven bevinden zich twee kamers: de eerste heet het Ave Maria, omdat daar een Mariabeeldje staat waar de monnik even vóór bidt telkens hij zijn kluis binnengaat; de tweede kamer is het cubiculum, de eigenlijke woonplaats, waar de kartuizer een groot gedeelte van het officie bidt, waar hij eet, studeert en slaapt. De broeders, die meer handenarbeid doen dan de koormonniken, hebben maar één ruime woonkamer, waar ze bidden, lezen, eten en slapen. Het werk verrichten ze buiten hun cel in de verschillende werkplaatsen van het klooster, in de moestuin of in het bos.
 
Dagindeling van een kartuizermonnik
 
De kartuizermonnik staat op vóór middernacht.
 
Nadat hij in zijn cel een gedeelte van het officie van Onze-Lieve-Vrouw gebeden heeft, gaat hij naar de kerk voor het gezamenlijke nachtofficie: metten en lauden, d.w.z. hymnen en psalmen, lezingen uit de bijbel en teksten van de kerkvaders, dit alles gezongen in een oud, ruig Gregoriaans, behalve de lezingen, die in de volkstaal gebeuren. Dit officie duurt twee à drie uren; sommige kartuizers raken nooit gewend aan de verstoring van de nacht, maar de meesten vinden het nachtofficie één van de mooiste aspecten aan het kartuizerleven.

Hierna keert de monnik naar zijn cel terug, bidt er nog een gedeelte van het Maria-officie, warmt zich aan het kacheltje dat elke cel rijk is en gaat naar bed.

Even na zes uur staat de monnik weer op. Hij zegt het eerste morgenofficie en bidt tot aan de conventsmis, rond acht uur. Allen nemen eraan deel, ook de broeders, voor zover hun werk dit toelaat. De priesters celebreren hun privé-mis op een ogenblik dat het hun, geestelijk, het beste uitkomt: de ene zal het doen juist voor of juist na het nachtofficie, een andere na de vespers, weer een andere aansluitend bij de conventsmis. Voor eenzaten is immers een bepaalde vrijheid in hun geestelijk leven wenselijk.

Terug in zijn cel, brengt de monnik de voormiddag door met lezen, studie en handenarbeid. Ieder (uitgezonderd de novicen) mag dit doen naar eigen believen.

Rond het middaguur gebruikt de monnik zijn maaltijd alleen bij het raam van zijn cel.

Na de middag gaat zijn leven verder zoals 's ochtends, maar nu ligt de klemtoon meer op handenarbeid.

Om 16 uur verzamelen allen zich weer in de kerk voor de vespers, het dank- en lofgebed waarin de hele dag aan God wordt aangeboden.

Daarna gaat de monnik terug naar zijn cel om er het einde van de dag in studie en meditatieve oefeningen door te brengen.

Een zeer sober avondmaal onderbreekt nog even deze bezigheden, die besloten worden met een laatste meditatie en de completen of het officieel liturgisch avondgebed.

Rond 20 uur volgt de eerste nachtrust tot 24 uur en dan begint de dag van de kartuizer opnieuw, jaar in jaar uit.
 
Wie waren de woestijnvaders?
 
Om de levenswijze van de kartuizers te begrijpen, is het belangrijk terug te grijpen naar de wortels van het christendom in het Midden Oosten, in de eerste eeuwen van onze jaartelling. Daar speelden zich de oude verhalen van de eerste christenen zich af, waarin duizenden mannen en vrouwen huizen en dorpen verlieten, niet enkel omdat ze onderdrukt en vervolgd werden, maar ook om de bijbelse voorbeelden van Abraham, Moses en Johannes de Doper te volgen, om desnoods als martelaren te sterven, en (letterlijk én figuurlijk) de woestijn in te trekken.
 
Een aantal van de vroege christenen, die zich als kluizenaars terugtrokken in de woestijn van Egypte en Palestina en hun leven geheel aan de geest te wijden, zijn gekend als de woestijnvaders. Vele woestijnvaders beoefenden een gebed zonder woorden, contempleerden God in stilte en eenzaamheid. Uit hun geschriften blijkt een bijzondere mystieke spiritualiteit. Op elk ogenblik van de dag, wat hij ook doet, steeds heeft de monnik het oude ideaal van de woestijnvaders, voor ogen, dat in de kartuizertraditie is opgenomen.
 
Dat leven lijkt erg monotoon en nochtans zeggen de vernieuwde statuten in navolging van de heilige Bruno: "Welke rust, welke goddelijke vreugde brengen de eenzaamheid en de stilte van de woestijn niet aan hen die ervan houden! Dat weten alleen zij die er de ervaring van hebben opgedaan".
 
Negen eeuwen lang hebben de kartuizers niet opgehouden diezelfde mening te verkondigen.
 
Hoe wordt men kartuizer?
 
Ongeveer 80% van de mensen die zich aanbieden als "novicen" bij de orde zal uiteindelijk geen kartuizer worden. De duur van de periode als novice is lang: terwijl in de meeste ordes men rekent in orde van maanden, kan het bij de kartuizers meer dan 7 jaar duren. Voor een koormonnik:
* minimum drie maanden postulaat (gewoonlijk na voorbereidende retraites)
* twee jaar noviciaat
* de "kleine professie" of tijdelijke geloften voor drie à vier jaar (gedurende deze periode is de jonge monnik nog gebonden aan het noviciaat)
* hierna worden de tijdelijke geloften voor twee jaar vernieuwd, maar nu leeft de novice samen met de andere monniken, die hun plechtige geloften reeds hebben afgelegd
* na deze periode van 7 jaar, beslissen de overige monniken of de definitieve en plechtige geloften mogen volgen. Oorspronkelijk bestond er geen novicenmeester, maar iedere beginneling kreeg een oudere monnik toegewezen, die de door hem geschonken vorming aan de mogelijkheden van de kandidaat aanpaste. Stilaan hebben de eeuwen een homogene geesteshouding en een traditie voor het inwendig leven gecreëerd. Van bij zijn intrede is de monnik eenzaam en enigszins overgeleverd aan zijn eigen keus: hij heeft dus hulp, bescherming en richtlijnen nodig van ervaren monniken. Eén van de meest moeilijke elementen van het kartuizerleven is de eenzaamheid. Dit punt is de beste toetssteen om de roeping van de beginnelingen na te gaan. De uitwendige eenzaamheid wordt gerealiseerd door het slot en het leven in de cel. De eisen ervan zijn streng want ze leggen een bijna volledige afzondering van de wereld op met, in het klooster, een strikt gereglementeerde stilte. Dat alles heeft slechts tot doel de inwendige eenzaamheid te bevorderen. De kartuizer probeert zijn geest zo ver mogelijk verwijderd te houden van alles wat niet ten dienst staat van de essentie van zijn kartuizerleven. De eerste opsteller van de kartuizerstatuten, Guigo, vijfde prior van La Chartreuse, schrijft: " Dat uw hart niet verontrust worde en geen vrees koestere; hier is de ware rust. Hij geniet ervan die zich niet laat afleiden noch dwingen. Hij heeft zichzelf in handen en bewaart zichzelf in zijn eigen macht".
 
Het leven in gemeenschap
 
Bij de kartuizers probeert men een evenwicht te bereiken tussen eremitisme (leven in eenzaamheid) en cenobitisme (leven in gemeenschap). De zeer sober gehouden liturgie is de bron en het centrum van het gemeenschapsaspect in het kartuizerleven. Driemaal per dag komen de monniken samen in de kerk; 's zondags zingen ze er ook de andere kleine officies. Dagelijks wijdt de monnik vijf à zes uren aan het liturgisch gebed. De lectio divina, het lezen van geestelijke teksten, neemt ook bij de kartuizers een grote plaats in. De bibliotheek van een kartuis heeft dan ook een belangrijke functie. De lectuur heeft op de eerste plaats de bedoeling "wijze" mensen te vormen en niet zozeer erudieten of geleerden. Een kartuizermonnik staat vaak onder grote psychologische druk. Daarom zijn er momenten van ontspanning voorzien, dagelijks bij de handenarbeid, 's zondags tijdens een korte recreatie na het gezamenlijk middagmaal en de maandagnamiddag tijdens een grote wandeling, het spatiamentum, waaraan allen deelnemen. Deze momenten van ontspanning blijven natuurlijk in de lijn van de gekozen roeping: geen "nutteloze" gesprekken, geen "nutteloze" bezoekjes. Het evenwicht van een kartuizerleven bestaat dus uit gebed, studie, werk en ontspanning.
 
Ascetisch leven
 
Het monastieke leven is van oudsher gekenmerkt door een strenge ascese, d.i. een geheel van vrijwillig opgenomen verstervingen. De belangrijkste elementen van deze ascese zijn het onderbreken van de nachtrust en de eenzaamheid. De kartuizers eten geen vlees, en daarnaast is er ook het vasten. Advent en Veertigdagentijd bewaren in de kartuizerkloosters hun boete-aspect. Elke vrijdag is er ook een strenge vasten: meestal eten de monniken dan alleen brood en een beetje zout en drinken ze slechts water. Wel wordt er rekening gehouden met de constitutie van het individu bij het bepalen van deze praktijken.
 
Handenarbeid in de kartuizen
 
Handenarbeid voorziet in de behoeften van het klooster, maar speelt nog een andere rol: zorgen voor ascese en evenwicht. Contemplatie alleen zou immers veel te veel vergen van de psyche. Maar gezamenlijke arbeid buiten de cel zou de zo begeerde eenzaamheid in de weg staan, en daarom wordt er gezocht naar een soort werk dat in de cel kan gedaan worden. Vroeger was dat het kopiëren van handschriften, nu zijn het allerlei ambachtelijke werken, zoals het vervaardigen van iconen, het boekbinden en het beeldhouwen. Meer intellectueel gerichte monniken mogen geestesarbeid verrichten, maar zoeken best geen echte eruditie of wetenschappelijk werk, omdat de eenzaamheid ze belet opzoekingen buiten hun klooster te doen. De broeders werken in de smidse of in de bakkerij, of verrichten timmer- of metselwerk; dit alles gebeurt in functie van de levensbehoeften van het convent. Zo kan het klooster onafhankelijk van de wereld leven – nu echter minder dan vroeger, toen elke priorij, elke abdij in feite in een gesloten economisch systeem leefde.
 
Plaats van de kartuizers in de rooms-katholieke kerk
 
Wat is de betekenis van de kartuizers in en voor Kerk en wereld? Is hun materiële plaats zeer klein (nu ongeveer 450 leden!), toch is hun geestelijke waarde erg belangrijk. Pius XI heeft in de bulle "Umbratilem" het belang van het contemplatief leven onderstreept. In Vaticanum II wordt uitdrukkelijk over de waarde van deze levensvorm gesproken. Paulus VI en, recent, Johannes Paulus II spreken in dezelfde zin. Ook de vernieuwde statuten van de kartuizerorde handelen over dit leven waarin de monniken "gescheiden van allen, toch met allen verenigd zijn". Heel hun leven is erop gericht het kloppende hart van de kerk te zijn.

De orde vandaag
 
De orde telt vandaag 19 mannenkloosters (ca. 370 monniken) en 6 vrouwenkloosters (ca. 75 nonnen):
Frankrijk
- Grande Chartreuse (Isère) – kartuizers
- Chartreuse de Portes (Ain) – kartuizers
- Chartreuse de Montrieux (Var) – kartuizers
- Chartreuse de Sélignac (Loiret) – Maison St.Bruno voor leken
- Chartreuse de Nonenque (Aveyron) – kartuizerinnen
- Chartreuse Notre Dame (Alpes de Haute Provence) – kartuizerinnen
Zwitserland
- Chartreuse de la Valsainte – kartuizers
Spanje
- Cartuja de Aula Dei (Zaragoza) – kartuizers
- Cartuja de Miraflores (Burgos) – kartuizers
- Cartoixa de Montalegre (Barcelona) – kartuizers
- Cartuja de Porta Coeli (Valencia) – kartuizers
- Cartuja Santa Maria de Benifaçà – kartuizerinnen
Portugal
- Cartuxa de Scala Coeli (Evora) – kartuizers
Italië
- Certosa di Farneta (LU) – kartuizers
- Certosa de Serra San Bruno (VV) – kartuizers
- Certosa de Vedana (BL) – kartuizerinnen
- Certosa della Trinita (SV) – kartuizerinnen
Groot-Brittanië
St Hugh's Charterhouse (Parkminster) – kartuizers
Duitsland
- Kartause Marienau – kartuizers
Slovenië
- Kartuzija Pleterje – kartuizers
VS
- Chartherhouse of the Transfiguration (Vermont) – kartuizers
Brazilië
- Mosteiro N.S. Medianeira (RS) – kartuizers
Argentinië
- Cartuja de San José – kartuizers
Zuid-Korea
- Notre Dame de Corée – kartuizers
- Annonciation – kartuizerinnen
 
Het is ongeveer een mirakel dat de kleinste en strengste orde van een handvol contemplatieven negen eeuwen zonder kleerscheuren doorstond en nog in de genotzieke prestatiemaatschappij van de 21ste eeuw overeind blijft als een zwijgend teken van tegenspraak. Tijdgenoten vinden het een weggegooid leven, er is zoveel meer te doen dan biddend, vastend en in nachtwaken God te troosten. Dat soort contemplatie, die ‘intuïtie van de waarheid’ (Georges Duby), aanvaardt men makkelijker bij boeddhisten.

Het had inderdaad kunnen verkeren, maar al die eeuwen vol van maatschappelijke en godsdienstige crisissen hadden weinig vat op hen. Ook kon je verwachten dat het kartuizerideaal met de deemstering van het feodale tijdvak zou ondergaan. Vorsten, adel, bisschoppen hadden de witte monniken begiftigd met genoeg bossen en weilanden voor hun leefstijl, en opgesloten in kunsthistorische musea.

Architectonische monumenten als het ontzagwekkende Pavia hebben ze verlaten. Eigentijds is pas Marienau, dat meesterwerk van eenvoud dat Emil Steffann in 1971-77 plantte in de Allgäuer Alpen. In de magere jaren van de nieuwste geschiedenis leerden ook de kartuizers de gelofte van armoede daadwerkelijk te beleven.

In vroegere eeuwen hadden kloosters een zeer grote invloed en talrijke weldoeners schonken (in ruil voor gebeden, raadgevingen en andere hulp) tal van bezittingen en eigendommen. Zo ontvingen de Kartuizers te Leuven in 1496 van dame Jeanne de Kersbeek 14 bunders (1 bunder is zowat 1 hectare) bos in Holsbeek. In 1623 breidden zij door aankoop hun bossen te Holsbeek met 8 bunders uit.
 
 
De straatnamen "Chartreuseweg" en "Kartuizersstraat" zijn dus niet uit de lucht gegrepen…